Leven en werk
van Jan Kroon

‘Nait soez’n, moar doun’

Jeugd

Op 3 februari 1911 zag Jan Kroon in Groningen in de Steentilstraat het levenslicht, als vierde kind in een gezin dat uiteindelijk uit zes kinderen zou bestaan. Hij kreeg officieel de namen Johannes Harmannus, maar dat werd al gauw ‘Jan’. Hij groeide op in een warm gezin, waar liefde en geloof vanzelfsprekend deel uitmaakten van het dagelijks leven. Zijn ouders waren vrome, hardwerkende mensen die alles voor hun gezin over hadden. Zijn vader runde een slagerij in de Steentilstraat.
Jan doorliep de lagere school en de ULO in Groningen en ging daarna bij zijn vader in de slagerij werken. Laten we Jan even zelf aan het woord:

“Ik bleef er maar een paar jaar, want langzamerhand rees bij mij de wens om priester te worden. Op mijn achttiende ging ik naar een seminarie in Brabant (Gemert). Ik doorliep daar 3 of 4 klassen. Toen kreeg ik tuberculose en werd ik in een sanatorium opgenomen (Bilthoven). Tijdens die ziekte kwam ik tot het besef dat een loopbaan als geestelijke voor mij niet was weggelegd. Zo kwam ik van Brabant weer in het ouderlijk huis en achter de toonbank terecht.” (Interview van Gryt-Anne Piebenga met Ome Jan Kroon, jaar en plaats van uitgave onbekend).

Hij ging weer bij zijn ouders wonen, die in 1935 verhuisden naar de Radesingel nr. 3 in Groningen, tegenover de St. Jozefkerk. Ook na het overlijden van zijn vader in 1940, bleef Jan bij zijn moeder thuis wonen. Moeder was een bescheiden, dienstbare vrouw. Ome Jan zal haar zeker menigmaal om raad en daad hebben gevraagd bij zijn werk voor Sint Franciscus Liefdewerk (SFL), dat zij zonder twijfel van harte zal hebben gesteund tot aan haar dood in 1964. Jan Kroon weer aan het woord:

“Al spoedig raakte ik betrokken bij het St. Franciscus Liefdewerk en dat slokte al mijn vrije tijd op. Soms werd er ook op werkdagen een beroep op mij gedaan. Als dan de telefoon ging, riepen mijn broers spottend, of ook een beetje geïrriteerd: ‘Apostolaat!’ Ik sprak toen met hen af dat ik één en soms twee dagen in de week minder zou werken en me niet met het reilen en zeilen van de zaak zou bemoeien. Dat gaf mij meer vrijheid en ontnam hun de ergernis.”

Zo bleef hij financieel onafhankelijk en kon hij zich tegelijkertijd wijden aan zijn ‘hobby’. Later bezat hij samen met zijn broer George (Sjors) een eigen slagerij aan de Westersingel te Groningen. Ook Sjors kon zich wel ergeren aan het feit dat Ome Jan soms aan de telefoon hing, terwijl de winkel vol klanten stond. Menig lapje vlees is onder de toonbank toegeschoven aan mensen die dat niet konden betalen. Voor Ome Jan was van belang:

“Zorg voor de medemens, en dan speciaal voor de armen. De Kerk werd er zich van bewust, dat ze zich te weinig bemoeide met de kleine man. Ook in Groningen drong die gedachte door. Tijdens een Katholiekendag in de Harmonie werd er een vurige toespraak gehouden door een Pater Jezuïet. ‘Breng de jeugd in aanraking met het Evangelie! Haal de jongeren van de straat en laat ze niet aan hun lot over!’ – zo hield hij zijn luisteraars voor. Die woorden misten hun uitwerking niet, want in 1926, het jaar van deze Katholiekendag, werd er in Groningen een afdeling opgericht van het Sint Franciscus Liefdewerk. Dat richtte zich aanvankelijk op jongens, maar later ook op meisjes.”

 

Sint Franciscus liefdewerk

Wat hield het Sint Franciscus Liefdewerk (SFL) in en wanneer is het ontstaan?
De jongeren kwamen ’s avonds en in de weekeinden en op vrije middagen bij elkaar. Het waren hoofdzakelijk kinderen uit katholieke gezinnen, maar ook anderen waren welkom. Er werd aan sport en spel en handenarbeid gedaan, er werd gepraat en er werd godsdienstonderricht gegeven. Ome Jan:

“De ontspanning was belangrijk, maar minstens zo centraal stond het streven jongens en meisjes gevoel bij te brengen voor het Rijk dat niet van deze wereld is. De geestelijke leiding lag in handen van een Pater Jezuïet die voor dat werk werd vrijgesteld. Daarnaast waren er vrijwilligers. Zij stonden onder leiding van een voorzitter, een functie die ik zelf lange tijd heb vervuld. De zolderruimte van het Franciscushuis werd ingericht als kapel en daar werd ’s Zondags de H. Mis gelezen. Behalve de jongens en meisjes kwamen ook dikwijls hun ouders mee.”

In het Jubileumboek dat uitgegeven is ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van S.F.L. staat beschreven hoe het allemaal begonnen is:

“Een scherp beeld van S.F.L. geven in heel z’n omvang en diepte bestaat praktisch niet. In veel opzichten vertoont ons patronaat de structuur van een ijsberg. Een heel klein gedeelte vertoont zich binnen onze gezichtskring, ver en verreweg het grootste gedeelte blijft onder water verborgen en is slechts langs voorzichtige peilingen bij benadering in zijn juiste omvang te schatten. Als wij ons dan bepalen tot het zichtbare gedeelte, dan leert ons de geschiedenis, dat S.F.L. in zijn huidige vorm geboren werd op het moment dat in augustus 1926 een zaaltje werd gehuurd aan de Coehoornsingel boven ’t Café ‘De eendracht’. Voor het zover was, had zich al een jarenlang proces in harten en hoofden van onze katholieke voormannen ontwikkeld. Pater van Ruth S.J. had op de 10e Katholiekendag het grote enthousiasme losgeslagen, nodig om alle ideeën eindelijk tot daden te doen rijpen. De Hoog Eerwaarde Heer Deken Eppink zette zich met raad en daad achter deze actie, hielp persoonlijk mee de laatste hinderpalen omver te werpen. Hij benoemde de toenmaals jongste assistent van de Paterskerk, de Zeer Eerwaarde pater Fr. Schröder S.J. tot 1e Directeur. 12 jonge kerels begonnen hun werk op hoop van zegen. Zij hadden hun licht opgestoken bij bevriende verenigingen in Amsterdam en Haarlem, maar waren toch, wat de Groningse praktijk betreft, in hoofdzaak aangewezen op eigen ervaringen en inzicht. Op 29 januari 1927 kregen we de bisschoppelijke, op 24 maart daarop volgend de Koninklijke goedkeuring, zodat ons Liefdewerk van toen af als rechtspersoon kon optreden.
Wat uit deze eerste tijd nog wel eens zeer dankbaar mag worden gememoreerd is de prachtige steun, die wij mochten ondervinden van de Eerwaarde Zusters achter de A-Kerk. In al die moeilijke eerste jaren waren zij het, die door hun daadwerkelijke hulp de sfeer wisten te wekken, die onontbeerlijk is als natuurlijke factor om de grote, godsdienstige geheimenissen te kunnen beleven. Een ontbijt, door haar verzorgd was een lieve menselijke entourage van de viering van het grote Goddelijk geheim.”

Zes jaar lang bivakkeerde het SFL in gehuurde zaaltjes. In deze jaren werd regelmatig geld ingezameld ten behoeve van de ‘eigen huis’- actie. De St. Franciscus fancy fair van begin jaren 30 had de beslissende stoot gegeven, zodat in 1932, dank zij de vele giften van mensen binnen en buiten de stad Groningen, dan toch een pand, de voormalige vleeswarenfabriek van de firma Gerzon aan het Boterdiep nr. 73, kon worden aangekocht als Sint Franciscus huis.

Het huis moest verbouwd worden en in 1934 kwam er een kleine kapel en conciërgewoning. De acties voor giften zorgden ervoor dat het ‘zilveren dak’, de hypotheek, niet te zwaar zou blijven. Er bevond zich in het gebouw een grote zaal met biljart en bibliotheek, op de eerste verdieping was een timmerzaal ingericht, een lichtbeelden- en filmzaal en een vergaderzaal die door harmonicadeuren van elkaar gescheiden waren, maar tezamen ook als één grote zaal dienst konden doen. De conciërgewoning zat op de tweede verdieping aan de straatzijde en de kapel met sacristie aan de achterzijde. In de kelder waren de verkenners gehuisvest. In 1942, 10 jaar nadat het St. Franciscushuis was betrokken, telde het SFL 75 beschermelingen, waarvan 14 gezellen, 23 vakjongens en 38 schooljongens waarvan er 35 de R.K. School bezochten.
Naar aanleiding van het 45-jarig bestaan van het Clubhuis aan het Boterdiep 73, is er een interview gepubliceerd met Jan Kroon in de LOEKS van 18 maart 1981. We drukken het hieronder integraal af:

“45 Jaar lang is ‘Ome’ Jan Kroon (70) nu verbonden aan het clubhuis aan het Boterdiep en dat was afgelopen zondag reden voor een feest. Een feest dat voor Jan Kroon niet zozeer hoefde, want alles wat hij voor een ander in die 45 jaar heeft gedaan, vindt hij vanzelfsprekend. “Kijk”, zegt hij, “ik vind mezelf helemaal niet belangrijk. Voor mezelf heb ik nu het gevoel, dat ik gedaan heb wat gebeuren moest. ’t Belangrijkste voor mij is altijd geweest om te kijken hoe de boodschap van de Bijbel is overgekomen. Een boek dat 2000 jaar geleden geschreven is, maar nu met betrekking tot de mens nog altijd actueel is. In de Bijbel staat ook geschreven: “de eenzame heeft vele vrienden”, zo heb ik dat ook al die jaren ervaren. Dat heb ik ook altijd als een stimulans gezien om met dit werk door te gaan. Vooraf kon je dat natuurlijk niet bevroeden, maar nu zeg ik, ik ervaar het werk als een levensopgave. Ik zou ’t ook zo over willen doen, met alle mooie en lelijke kanten.”

 

Priester

Het werk op het Clubhuis – in vroeger jaren m.n. de begeleiding van jongerengroepen – is maar een klein stapje verwijderd van hetgeen waar ‘Ome’ Jan Kroon zich oorspronkelijk toe aangetrokken voelde, zeker wanneer men ziet met welk een opofferingsgezindheid hij zich al die jaren heeft ingezet.” Het priesterschap trok me in eerste instantie bijzonder”, vertelt Jan Kroon, “dat beschouwde ik als een roeping. Maar na een paar jaar opleiding leek de opgave van ‘het priester zijn’ mij te zwaar. ’t Is een hele speciale opgave, een geestelijk stuk werk, waarbij je met alle problemen van de mensen wordt geconfronteerd en waarbij je helemaal alleen staat.
’t Clubhuiswerk was daar in vroeger jaren zeker vergelijkbaar mee, met het grote verschil dat het minder indringend was. Als priester zou je de verantwoording hebben voor dingen die moeilijk onder woorden zijn te brengen, niets tastbaars. Het clubhuiswerk trok me echter al voor ik me aan de priesterstudie ging wijden. Toen ik met de studie ben gestopt en in Groningen terugkeerde, besloot ik dat voor m’n hobby te kiezen.”

 

Levensopgave

Een hobby die voor ‘Ome’ Jan Kroon dus uitgroeide tot wat hij zelf noemt een ‘levensopgave’. Uit het werk op het clubhuis vloeiden voor hem zoveel nevenwerkzaamheden voort, dat ieder minuutje vrije tijd er door opgeslokt werd.
“De eerste vijftien jaar heb ik vooral gewerkt met groepen jongeren van 14 – 18 jaar”, zegt hij, “dat waren de zogenaamde kleine en grote vakjongens.
Met 14 jaar waren die jongens immers al werkzaam in een vak, vandaar die benaming. Jongens die niet in aanmerking kwamen om een schoolopleiding verder te volgen, probeerden wij te begeleiden, zodat ze toch een vak leerden, hoewel bij het clubhuis voorop stond het onderlinge contact en amusement en het inzicht geven in de achtergronden van het leven, wat neerkwam op godsdienst.
Voor alles wat deze knapen in zich hadden, probeerden we mogelijkheden te scheppen om ze in de maatschappij vooruit te krijgen. Daarnaast moest je natuurlijk ook jongens zien te helpen, die uit de bocht gevlogen waren!!”

 

Water naar de zee

Het clubhuis aan het Boterdiep -- tegenwoordig eenvoudigweg ‘clubhuis Boterdiep’ geheten, maar vroeger St. Franciscushuis genaamd en door de jongens ‘Patternoat’ genoemd --, stamt uit de tijd rond 1930: “In die tijd had je in de katholieke wereld een vereniging van arbeidersjongens, middenstandsjongens en werkgeversjongens. Het St. Franciscus liefdewerk, zoals het in die tijd genoemd werd, was meer bestemd voor de jongens die in armoe leefden”, vertelt Jan Kroon. “Dat was een verschrikkelijke tijd, dat kun je je nu niet meer voorstellen. Kinderen kwamen in veel opzichten veel tekort. Geld was er vaak niet, al hadden ze nog zulke goede ouders. Wat dat betreft hebben ze het nu veel en veel beter, vaak te gemakkelijk. Maatschappelijk is het allemaal veel beter geworden nu, maar aan de menselijke verhoudingen, daar schort tegenwoordig nog wel eens iets aan. Vroeger was het gemakkelijker een oplossing voor allerlei problemen te vinden. Nu is dat veel moeilijker, ook al omdat de familieband minder stevig is. Kinderen zijn sneller zelfstandig, gaan hun eigen weg en komen in veel gevallen weinig meer thuis.
Vroeger was het zo dat als moe het niet aankon, dan was je verkocht. Zij had de zorg voor ’t gezin, maar tegenwoordig heeft ze ook veel andere bezigheden. ‘k Zou nooit terug willen naar die tijd, maatschappelijk hebben de mensen het gelukkig veel beter. Maar toch krijg ik van de oude garde nog vaak de boodschap mee dat men in de armoede veel gelukkiger met elkaar was. Misschien dat we het wel te goed met elkaar hebben. De welstand heeft ook allerlei nieuwe problemen gebracht als alcoholisme en drugsgebruik. Armoe had in zoverre een gunstige uitwerking dat iedereen wel aan ’t werk moest. Nu komen de kinderen van school af en kunnen ze hun hand maar ophouden. Natuurlijk moeten ze onderhouden worden, maar het zou anders moeten.
Voor de mensen die tegenwoordig met de begeleiding belast zijn, is het bijna niet meer op te brengen. Het lijkt op water naar de zee dragen, alles wat ze voor de jongens doen. De functie is in feite hetzelfde gebleven, maar ’t is tegenwoordig heel anders. Vroeger was het allemaal beslotener, probeerde je zoveel mogelijk iedereen bij elkaar te houden, wanneer er één wegbleef ging je thuis praten waarom.”

 

Middenstand

Er is in die 45 jaar het een en ander veranderd binnen het clubhuis. Werd het vroeger in stand gehouden door de middenstand, tegenwoordig ressorteert het clubhuis onder de GISCA, een neutrale stichting. “vroeger was de middenstand de drager van ons werk”’ aldus Jan Kroon, “maar tegenwoordig is dat voor die mensen niet meer op te brengen. Als het goed gaat wordt het afgeroomd door de belasting en als het slecht gaat schiet er ook geen geld over. Het clubhuis wordt nu gesubsidieerd door gemeente en rijk. Zonder subsidie zou het ook niet meer kunnen, maar wat ik zelf nog wel eens jammer vind, is dat alles van boven af geregeld moet worden. Natuurlijk kan het geld niet alleen aan ontspanning worden besteed, maar wanneer een stel moeders op een avond eens lekker willen kwekken, dan moet dat kunnen en dan moet het niet zo zijn dat ze per se iets moeten doen.

Er werken nu een aantal beroepskrachten, maar deze jongens hebben ook het hart van een vrijwilliger. Zelf heb ik er nooit een cent voor gekregen, dat hoefde voor mij ook niet. Ik ben blij dat wij als katholieken nog altijd de kapel mogen blijven gebruiken, hoewel ze de ruimte zelf ook best kunnen gebruiken. Dat waardeer ik zeer.”

 

Zeldzaam mens

Het werkterrein van Jan Kroon binnen het clubhuisgebeuren verlegde zich in de loop der jaren naar de oudere groep, de zogenaamde gezellenafdeling. Zeker 20 jaar houdt hij zich daar nu al mee bezig. De groep bestaat tegenwoordig voornamelijk uit wat oudere mensen met een gemiddelde leeftijd van 40 jaar. Daarnaast heeft Jan Kroon iedere zondagmorgen, samen met de Heer van Rijsbergen de leiding van de kapelgroep, terwijl een groot deel van zijn tijd door huisbezoeken wordt ingenomen. Nadat hij met zijn eigenlijke werk als slager is gestopt, is het ‘clubhuiswerk’ tot een dagtaak voor hem uitgegroeid. Nog meer dan vroeger behelst het z’n leven.
Een zeldzaam mens, deze ‘Ome’ Jan Kroon die zich nooit door teleurstelling uit het veld liet slaan, maar zich blééf inzetten voor z’n medemens, in een tijd waarin niemand tijd voor een ander schijnt te hebben. Hij heeft z’n leven 45 jaar lang geheel in dienst gesteld van z’n medemens:

“De mens heeft me altijd geïnteresseerd”, zegt hij, “ieder mens is de moeite waard, stuk voor stuk, tot de moeilijkste toe. Jaren terug heb ik eens tegen de kinderrechter gezegd, hoe langer je er mee bezig bent, hoe meer het de moeite waard is.
Ik ben nooit getrouwd, ik had daar de tijd en de interesse niet voor. Ik had er ook niet getrouwd bij kunnen zijn. Gelukkig had ik thuis een goede opvang, want als ik er alleen mee had gezeten had ik het nooit kunnen doen. Je wordt altijd maar weer met problemen geconfronteerd, daar wen je aan, maar je moet het ook eens kwijt kunnen. Een voordeel voor mij is altijd geweest, dat ik een gelovig mens ben.
De huisbezoeken hebben hun leuke kanten, maar je wordt ook met de ellende in deze wereld geconfronteerd.
Toch heeft dit leven mij immer getrokken, de wonderen van de menselijke verhoudingen. Ik word er ziek van als ik als vrijgezel zie dat bij mensen die het eerst zo goed konden vinden met elkaar, het opeens niet meer gaat. Dát kan ik niet begrijpen en ook slecht verwerken. Maar daar zet ik me overheen, door te kijken welke lichtpuntjes toch nog te ontdekken zijn, want die zijn er altijd. En dan zet ik me daar weer voor in.”

‘Ome’ Jan Kroon 70 jaar. Hij leeft voor z’n hobby, die is uitgegroeid tot een levensvervulling. Een boeiende en vlotte prater, wiens hart voor iedereen openstaat.Terwijl een ander het op deze leeftijd wat rustiger aan gaat doen, is zijn agenda nog overvol en komt hij tijd tekort. Zo lang als het gaat zal hij op zijn fiets de stad blijven doorkruisen om anderen te helpen. Door weer en wind, op weg naar een nieuw lichtpuntje…”

 

Ontwikkelingen binnen SFL

De eerste 25 jaar werd de SFL louter met vrijwilligers ‘bemensd’. Bij de viering van het 25 jarig bestaan ervan, in 1951, kwam op de receptie ook de burgemeester op bezoek. Ome Jan:

“Hij vertelde ons dat we heel goed werk deden, en dat het hoog tijd werd dat we daar subsidie voor kregen. Een mooi aanbod, maar het betekende wel een gevoelige steek voor het St. Franciscus Liefdewerk. Er kwamen beroepskrachten en zij hadden een ander doel dan wij en dan de pater-jezuïet die ons werk begeleidde. In 1962 verdween de naam St. Franciscus Liefdewerk. Het gebouw aan het Boterdiep werd toen ‘Clubhuis Boterdiep’ genoemd. Godsdienstonderricht werd er niet meer gegeven, maar de kapel bleef wél bestaan. Die is er trouwens nog steeds.
Zelf was ik teveel vergroeid met het St. Franciscus Liefdewerk om ermee op te kunnen houden. Ik kende veel gezinnen, en was voor een paar jongens toeziend voogd. Met verschillende van hen heb ik nog steeds contact, al zijn het intussen wel volwassen mannen geworden. Ik zie ze zondags in de kapel of bijvoorbeeld bij de doop van hun kinderen.”(Interview met Gryt-Anne Piebenga)

Zo werd de SFL langzaam maar zeker geïnstitutionaliseerd en geprofessionaliseerd. Er werd subsidie verleend om professionele krachten aan te trekken, die het werk bij wijze van beroep uitoefenden. Van lieverlee werden de vrijwilligers die zich belangeloos hadden ingezet voor hun ‘beschermelingen’, vervangen door professioneel opgeleide krachten. Toen na enige jaren echter de subsidies van gemeentewege opdroogden was het bestuur niet in staat de hoge loonkosten te betalen en was men wel verplicht te fuseren met andere sociaal-culturele organisaties in de stad. Zo werd het SFL uiteindelijk onderdeel van de op 15 december 1971 opgerichte stichting GISKA (Groninger Instelling voor Sociaal-Kulturele Activiteiten), een ‘neutrale’ organisatie die geen specifieke geloofs- of levensovertuiging aanhing.

 

Laatste jaren

Jan Kroon ging intussen onverdroten door met zijn eigen apostolaat: hij bleef ‘sien volkie’ thuis opzoeken: zijn silhouet op de fiets met de steeds meer gebogen rug, pet op, in weer en wind in torsend, staat menigeen nog in het geheugen gegrift. Hij vergat geen verjaardag, geen huwelijk, geen geboorte, geen begrafenis, hij leefde met de mensen mee en kende ‘zijn’ families vaak tot in de derde, vierde generatie. Mensen die bij hem om financiële hulp of geestelijke raad aanklopten kwamen nooit voor een dichte deur. “Er is overal altijd wel een potje voor”, placht hij te zeggen; vaak eerst door Ome Jan zelf gevuld, om de nood te lenigen, maar hij schroomde evenmin bij de meer kapitaalkrachtige medeparochianen aan te kloppen voor ‘het goede doel’.
Ten tijde van Lech Walensa in Polen zette Jan een ‘Polen jongerengroep’ op die kleding inzamelde en naar Polen bracht.
Iedere week legde hij een kaartje met de gevangenen in de Mesdagkliniek, waar hij ook regelmatig de Zondagse diensten bijwoonde.
Ome Jan heeft menige puber die op het slechte pad dreigde af te glijden ‘geestelijk’ bij de kraag gevat en weer op koers gezet. Daartoe werkte hij samen met de hoofdrechercheur van politie, de Heer Veringa. Meestal regelde Jan voor zo’n pupil ook nog een baantje, bijvoorbeeld bij de herenkledingfabriek C.E. Groll aan het Eemskanaal in Groningen of bij andere bevriende middenstanders.
Ook na de fusie bleef de oorspronkelijke SFL-groep tot eind jaren tachtig, begin jaren negentig nog iedere zondag de H. Mis vieren in de Boterdiep-kapel in hun voormalige Sint Franciscushuis. Ome Jan Kroon en ‘sien volkie’ zoals hij ze noemde, werden ‘gedoogd’, totdat ook deze ruimte nodig was voor sociaal-culturele activiteiten. De groep, of wat er nog van overgebleven was, verhuisde begin jaren negentig naar de Ebbingepoort aan de Nieuwe Ebbingestraat, een verzorgingshuis dat inmiddels ook het t(e)huis van Ome Jan was geworden.

 

Lekenapostolaat

Met de grote deconfessionaliseringgolf liepen de kerken langzaam leeg, veel priesters hingen hun toog aan de wilgen. Het Tweede Vaticaans Concilie bracht naast vernieuwing ook verwarring, de oude tradities werden hier en daar los gelaten of als volstrekt achterhaald op de schroothoop van de geschiedenis geworpen. Priesters experimenteerden met Beatmissen om de jeugd te trekken, maar in plaats daarvan verdwenen ook vele ouderen uit de kerk, zonder dat de jongeren naar binnen kwamen.
Ome Jan zag dit alles met grote zorg aan en zette zich in om de geloofsverkondiging, met name de H. Eucharistie en het Marialof, te behouden. Daar waar de priesters zelf het spoor bijster raakten, nam Ome Jan Kroon het op zich het Marialof te organiseren. In heel Groningen was er alléén op het Boterdiep en later in de Ebbingepoort nog iedere zondag een H. Eucharistieviering! In alle overige kerken werden regelmatig in plaats van de H. Mis een ‘woord- en communie-Dienst Onder Leiding van Parochianen’ (zogenaamde DOLP-diensten) gehouden. Zijn vele brieven aan ‘sien volkie’ waarin hij de lezers met niet aflatende ijver uitnodigde om de Heilige Eucharistieviering in ere te houden, om het Marialof mee te komen ‘vieren’ getuigen zowel van zijn bezorgdheid om het behoud van de geloofsschat als van zijn onuitputtelijk vertrouwen in God. Jan liet zich niet uit het veld slaan en ondanks zijn zorgen behield hij een innerlijke blijdschap die aanstekelijk werkte op zijn omgeving en het hem mogelijk maakte zijn apostolaat te blijven verrichten.
Hij zette zich niet alleen in voor het herstel van het Marialof, hij organiseerde ieder jaar de Stille Omgang vanuit Groningen, nam deel aan de bedevaarten naar Dokkum, Banneux, Lourdes, Fatima, Medjugorje waar hij zich als vrijwilliger inzette voor zieken en gehandicapten. Een paar maanden voor zijn overlijden, in maart 1995 heeft hij, -- zij het met grote moeite en ondersteund door een paar jonge mensen – de Stille Omgang nog meegelopen: hoewel hij leed aan een hartziekte en dus snel moe was, wilde hij van geen wijken weten.

“Ik doe mijn best om oude devoties weer te doen opleven. Er is sinds de jaren zestig veel verdwenen op godsdienstig gebied, vooral hier in het noorden van Nederland. Dat is jammer, want het gaat vaak om devoties die de geest voeding geven. Vandaar dat ik me er, samen met anderen, voor beijver dat in de maanden mei en oktober – de Mariamaanden – ’s zondagsmiddags om vijf uur weer het Lof wordt gevierd in de Jozefkerk. Zo’n gebedsdienst waarbij de belangrijkste gebeurtenissen uit het leven van Jezus en Maria worden overwogen, is goed. Maar ook deelname aan een bedevaart of aan de jaarlijkse Stille Omgang in Amsterdam kan verdieping van geloof geven. Daarom zet ik me ook daarvoor in. Een wens die ik in dit verband heb, is dat er een gebedskapel in Groningen komt. Een kapel die overdag geopend is, zodat de mensen een kaarsje kunnen opsteken en in stilte kunnen bidden.”

Deze wens van Oom Jan is pas na zijn dood in vervulling gegaan, toen de nieuwe plebaan, pastoor Rolf Wagenaar de Mariakapel in de St. Jozefkerk, die voordien als opslagruimte werd gebruikt, bij zijn aantreden in 2000, weer in ere herstelde.

 

Maatschappelijke betekenis

Jan Kroon verstond de kunst om overal en nergens een helpende hand toe te steken, zonder op te vallen. In zijn bescheidenheid heeft hij het voorbeeld van de H. Jozef, de voedstervader van Jezus, nagevolgd. Het ging niet om hem, maar om God. Alles wat Jan Kroon deed had als uitgangspunt en doel de meerdere eer en glorie van God.

“Mijn dagen zijn te kort. ’s Ochtends om kwart voor acht ga ik naar de Mis in de St. Jozefkerk. Daarna ga ik aan de slag, zieken bezoeken, de Heilige Communie rondbrengen, zaken regelen. Er is nu bijvoorbeeld een bejaarde dame die graag mee wil naar Banneux, het bedevaartsoord in België. Maar ze kan niet met de trein, dus moet ik iemand vinden die haar mee kan nemen in de auto. ’s Zondags is een ongewone dag. Dan ben ik ’s ochtends in de kapel van het vroegere Franciscushuis aan het Boterdiep. Ik ken er iedereen en maak tijdens de koffie een praatje met de mensen. ’s Middags ben ik meestal in de gevangenis: daar is dan een dienst waaraan behalve gevangenen ook mensen van buiten deelnemen. In de maanden mei en oktober fiets ik na afloop van die dienst naar de Jozefkerk voor het Lof. Ik voel me een begenadigd mens, dat ik dat allemaal nog mag doen. Ik hoop en vertrouw er ook op dat het werk door anderen wordt voortgezet”. (interview Gryt-Anne Piebenga).

In de apostolische wijze waarop hij zijn maatschappelijke dienstverlening gestalte heeft gegeven is hij uniek en een bron van inspiratie voor jongeren geworden. Dat blijkt duidelijk uit het boek ‘Methodiek integrale hulpverlening’, van de hand van Roelien Haasken, Eddie van Hierden en Rob Kievitsbosch (Utrecht 1996) dat is opgedragen aan Jan Kroon:

“Jan Kroon was een bijzonder mens. Vanaf de jaren dertig heeft hij zich zeer actief ingezet voor de achterstandsgroepen in de gemeente Groningen. Hij deed dat op geheel eigen wijze, waarbij het geloof voor hem een belangrijke bron van inspiratie was. Hij verstond de kunst om ieder mens, hoe problematisch, zonderling, onhandelbaar of andersdenkend ook, volstrekt in zijn waarde te laten.
Hij is door zijn eenvoud en gedrevenheid niet alleen een grote steun en toeverlaat geweest van vele Groningse burgers, die zich aan de rand van de samenleving bevonden. Hij kan beschouwd worden als een pionier in het ontwikkelen van integraal werken. Waar tegenwoordig boeken over geschreven worden had hij in zijn botten zitten. Dat kon hij overbrengen als geen ander. Aan wie kun je een boek als dit beter opdragen?”

En in het Voorwoord staat vermeld:

“Ome Jan Kroon is een grote inspirator geweest voor het werken met mensen met meervoudige problematiek, aan hem dragen we dit boek op. Een van zijn belangrijkste uitspraken was: NAIT SOEZ’N, MOAR DOUN!
Wat in het werken met jongeren eigenlijk een van de beste adviezen is.”

Huisbezoek was voor Jan Kroon een wezenskenmerk van zijn werk. Als geen ander wist hij dat de situatie thuis essentieel is voor de ontwikkeling van mensen. Problemen kunnen alleen integraal worden aangepakt, dat wist Jan Kroon bij intuïtie.
Zonder iemand ooit naar de mond te praten is hij van onschatbare betekenis geweest voor velen die hem op hun levenspad hebben mogen vinden, door zijn eenvoud, zijn bescheidenheid, maar bovenal door de oprechte warmte waarmee hij ieder mens die hij tegenkwam tegemoet trad.

 

Geloofsbeleving

Ome Jan bezat een groot en onwrikbaar geloof, dat hij overigens iedere dag voedde met gebed en meditatie. De dag begon met het vieren van de H. Mis, de rozenkrans vormde voor hem een dagelijks gebed, waarbij hij steeds om beurten de blijde, de glorievolle en droeve geheimen overpeinsde. Het is niet overdreven te stellen dat Jan Kroon in Groningen de fakkel van het katholieke geloof door het dal heeft helpen dragen en helpen doorgeven in een tijd van geloofsafval.
De voorspraak van Moeder Maria voor wie hij een bijzondere devotie had, heeft hij dagelijks ingeroepen voor de tallozen die hij schaarde onder ‘sien volkie’ en menigmaal is hij op wonderbaarlijke wijze verhoord.
Hij heeft het werk van SFL zien opkomen, groeien en bloeien en weer teniet zien gaan, althans in een geheel andere vorm zich verder zien ontwikkelen en verwijderen van wat hem als het wezenlijke voorstond: godsdienst, geloofsverkondiging. Dit alles moet hem letterlijk ‘hartzeer’ hebben gegeven. Desondanks heeft hij de moed niet verloren en bleef hij even blijmoedig als onwrikbaar zijn vertrouwen stellen op God. Mogen we in hem een krachtig voorbeeld tot navolging zien.

 

Dood en begrafenis

Op 15 oktober 1995 overleed Jan Kroon, voorzien van de H.H. Sacramenten der zieken, in alle rust in zijn eigen bed, 84 jaar oud. Jan Kroon was nooit ziek: op 9 oktober nog was hij op verjaardagsbezoek gegaan, hoewel de tocht op de fiets hem toen zwaar viel: “Ik weet niet wat er met mij aan de hand is, maar mijn benen willen niet meer, ik ben zó moe,” verzuchtte hij toen. Hij is in het harnas gestorven en heeft tot zijn laatste snik zijn leven in dienst van de Heer gesteld. Op de Rooms katholieke begraafplaats te Groningen, waar hij zelf zoveel mensen naartoe heeft geleid ligt hij begraven.

Bij de uitvaart van Jan Kroon op 18 oktober 1995 in de Jozefkerk in Groningen, sprak Pater Muskens S.J., die de uitvaart deed:

“Dit is een heel bijzondere dag in ons leven, de dag van het afscheid van de Heer Jan Kroon. ‘Oom’ Jan Kroon, want oom was hij niet alleen voor zijn neven en nichten, oom was hij ook voor heel veel anderen door de vertrouwelijkheid die hij uitstraalde.
En hoe deed hij dat? Niet doordat hij een of andere functie bekleedde of een aanstelling had, nee, hij deed het enkel en alleen door zijn persoonlijkheid die gekenmerkt werd door eenvoud en hartelijkheid.
Verbazingwekkend was het aantal mensen dat hij kende, mensen van alle rangen en standen, welgestelden en minder bedeelden, oergezonden en langdurig zieken en gehandicapten.
Dat waren allemaal geen relaties waar hij zich op liet voorstaan: het waren zijn broeders en zusters in Christus; in dat geloof leefde hij, dat geloof gunde hij ieder ander; vandaar zijn ijver voor de vieringen van de eucharistie en voor het lof met rozenhoedje in de oktober- en de meimaand.
De gelovige levensovertuiging, zoals hij die als kind van de kerk had aanvaard, was voor hem heilig en waardevol, en die bracht hem ertoe zich te bekommeren ook om mensen die anders dachten en leefden als hij. Hij zag geen heil in oordelen over anderen, laat staan in veroordelingen.
Waar hij kon, probeerde hij mensen te helpen, bij hen te zijn, hen te begeleiden en wanneer het maar mogelijk was – zijn fiets bracht hem overal naar toe – hen uitgeleide te doen op het kerkhof of in het crematorium.
Nu is zijn levensweg onder ons ten einde en nu doen wij hem uitgeleide in deze, hem zo dierbare, Jozefkerk waar hij zich dagelijks uitgenodigd wist voor de viering van de heilige eucharistie en waar hij kracht opdeed voor de gewone dingen van de dag temidden van en ten bate van zijn medemensen.”

En tijdens de overweging bij het Evangelie volgens Lucas 12, 35 – 42, over de dienaar die al zorgend voor zijn mensen wacht op de komst van de Heer:

“Wij zijn niet bestemd om eenmaal in het niet te verdwijnen, maar om wakend te wachten op de komst van de Heer, te wachten, niet op de slag van het noodlot, maar op de komst van iemand die zich om je bekommert en je tot voltooiing brengt.
Dat wachten gaat gepaard met alle spanningen van onzekerheid, van duisternis, maar wie deze spanning uithoudt en blijft uitzien, is gelukkig. Lucas vertelt ons ook van de reactie van Petrus: het perspectief dat Jezus biedt, is dat alleen bestemd voor de kleine, uitverkoren groep van Jezus’ leerlingen? Voor bijzonder vromen of voor onderlegden in de leer? Nee, zegt Jezus, het gaat over iedere trouwe beheerder, ieder die zijn taak in deze wereld erkent en aanvaardt, ieder die begaan is met zijn medemensen en voor hen zorgt. Zo iemand noemt Jezus: gelukkig. Een gewaagde uitspraak lijkt dat, gezien onze menselijke situatie en onze ervaring. Bij geluk denken wij al gauw aan gezondheid, aan welbevinden, aan welstand. Nu lijkt dat allemaal niet waardeloos, maar beslissend is het niet.
Beslissend is je omgang met je medemensen, je openheid, je inzet.
Vandaag mogen wij onze dankbaarheid uitspreken voor het feit dat Jezus’ woorden klaarblijkelijk van toepassing zijn op iemand die onze levensweg heeft gedeeld, die met ons is omgegaan als de trouwe beheerder van Gods gave, de zorgzame dienstknecht.
Dankbaar mogen wij zijn, omdat Jezus’ woord levensecht is gebleken, dat bij alle droefheid en weemoed dit afscheid overstraalt en ons nieuwe moed geeft om op onze beurt wakend te wachten op de komst van de Heer.”

Oom Jan Kroon was een gelukkig mens of, zoals hijzelf zei: een begenadigd mens. Laten wij hem niet beschamen in zijn hoop en vertrouwen dat zijn werk door anderen wordt voortgezet, en hem volgen op het pad dat naar Christus voert: nait soez’n moar doun!

(Uit: Jan Kroon, Zijn leven en werken, pp. 5 – 34).

Wilt U meer weten over Jan Kroon?

Bestel dan het boek, verlucht met foto’s en verhalen van anderen over Jan, alsmede een aantal brieven van de hand van Jan zelf:

Jan Kroon, Zijn leven en werken
E-mail: info@jankroonfonds.nl